Scholen voor leerlingen

Onderwijs heeft tot doel mensen op te leiden en te verbreden zodat ze de beste versie van zichzelf kunnen zijn. Om je interesses te onderzoeken en zaken te leren vanuit een intrinsieke motivatie in een veilige omgeving. Om burgers kritisch te maken, logisch denkend en standvastig. Om alle burgers te verbinden omdat ze van jongs af aan al samen zijn.

De leerling staat centraal

In het onderwijs wordt gekeken vanuit de behoefte van de leerling wat er nodig is om te groeien, om het beste uit de leerling naar boven te halen. Het stimuleren van intrinsieke motivatie, contact met anderen en een veilige leeromgeving zijn daarin belangrijk. Omdat bij kinderen de verschillen groot zijn, is het belangrijk leerstof aan te bieden wanneer ze eraan toe zijn. Het ene kind is bijvoorbeeld eerder aan lezen/schrijven toe dan een ander. Tot een jaar of 15 is de ontwikkeling nog te variabel om op je 12e een label (b.v. VMBO-kader of HAVO) opgeplakt te krijgen dat teveel invloed heeft op de rest van je leven. Maar nu wordt dat per leerjaar volgens een vast programma geregeld. Een leerling kan met b.v. 11 of 13 jaar klaar zijn met het basisonderwijs en naar de middelbare school gaan: wanneer die eraan toe is.

De overheid geeft richtlijnen wat er in het (peuter, basis en voortgezet onderwijs) geleerd moet zijn. Daarmee krijgt iedereen een goede basis waar vervolgopleidingen van uit kunnen gaan. Voor b.v. 70% ligt daarmee het doel vast, maar scholen kunnen daarnaast een vrije invulling geven voor de 30% van het onderwijs. De overheid doet een onafhankelijke toetsing op die 70%, en publiceert dat (feedback-app). Daarmee hebben ouders en leerlingen informatie om een keuze voor een bepaalde school te maken. Als de beoordeling structureel te laag is, kan de school gesloten worden, of gereorganiseerd met ander personeel. De eind-toetsing heeft weinig invloed voor het vervolgonderwijs van de leerling.

Ook gaan we af van de controle via toetsen. Dit levert namelijk stress bij leerlingen, ouders en leraren. Ouders willen (soms teveel) dat hun kinderen goed presteren voor een hoger vervolg onderwijs. Maar dat is niet altijd in het belang van het kind dat al van jongs af aan op zijn/haar tenen moet lopen. Ook geven toetsen stress en legt de focus op cijfers in plaats van leren (zie bijv. de correspondent: hoe cijfers de motivatie van leerlingen om zeep helpen). Kinderen kunnen huiswerk krijgen als ze het zelf willen, of als de leerkracht denkt dat dat goed is voor de leerling. Huiswerkbegeleiding door commerciële instellingen of het oefenen voor cito toetsen wordt daarmee overbodig.

Daarentegen kunnen toetsen het leerproces ook helpen, waarschijnlijk afhankelijk van de persoon, volwassenheid en stof. Dit vraagt dat we de innovaties of veranderingen onderzoeken op effectiviteit. Het moet makkelijk zijn voor scholen om de onderzoekers te vinden, en andersom. De overheid dient dit te faciliteren.

Aanbod van scholen

Scholen en schooltype moeten in principe overal vrij kunnen vestigen, maar je wilt voor de leerlingen dat er binnen redelijke afstand een school is (binnen redelijke fiets afstand voor leerlingen, elk schooltype en scholen waarbij je gemakkelijk van niveau kunt switchen).

De overheid betaalt de kosten van scholen, maar let er wel op dat dit redelijk is: binnen een marge (b.v. vaste kosten per leerling). Er kan ook een minimum aantal leerlingen (b.v. 5 jaar na oprichting minimaal 30 leerlingen) aan verbonden zijn (dit om teveel diversiteit/overhead tegen te gaan). Ook in minder dichtbevolkte gebieden moet er genoeg zijn. Uiteindelijk gaat het om de kwaliteit van leerlingen die de school verlaten, en als b.v. het niveau relatief laag is, of leerlingen relatief lang op de school blijven, of lage beoordelingen door collega’s van andere scholen, dan kijkt de onderwijsinspectie wat er aan de hand is.

De scholen zijn redelijk vrij om zelf de invulling te doen. De overheid zorgt wel voor een platform dat scholen van elkaar leren, gezamenlijk leermateriaal ontwikkelen, … Dit geeft dat we goed kunnen innoveren in het onderwijs. De leerkracht voor de klas kan dus redelijk vrij zijn. De overheid/onderwijsinspectie faciliteert dat leraren van dezelfde en andere scholen ook in de klassen meekijken met elkaar: om van elkaar te leren en elkaar te beoordelen. Deze beoordelingen, en die van kinderen, en die van ouders, en de centrale toets cijfers worden in de feedback-app vastgelegd zodat ouders kunnen kiezen welke school ze willen. De overheid laat dus de lesmethode vrij zodat scholen kunnen innoveren.

Er is weinig papierwerk nodig om kinderen naar een andere school te laten gaan (denk aan speciaal onderwijs). Als de huidige school vindt dat betere begeleiding in speciaal onderwijs nodig is, en de ontvangende school vindt dat ook, dan kunnen ze dat afstemmen met een leerplan.

De overheid zorgt dat er genoeg scholen van elk type zijn. Schaalvergroting van scholen is geen doel op zich. B.v. 2 klassen van 25 kinderen op een basisschool (groep 3-8) geeft 300 leerlingen – dat lijkt redelijk. Maar in minder bevolkte gebieden kan het best ook minder zijn – zeker als je nog een beetje schoolkeuze wilt geven aan ouders. Ook kan een school kiezen om leerlingen van meerdere jaren door elkaar te laten gaan, en dan kan een kleinere school (b.v. 50 leerlingen) ook goed passen.

Het onderwijs moet goed zijn zodat er geen behoefte is aan particuliere scholen (zie ook de Correspondent en de een voorbeeld over de rol van de overheid). Het is beter dat kinderen (en daarmee ook hun ouders) samen opgroeien op dezelfde scholen. Dit voorkomt een tweedeling in de maatschappij (wie wel en niet een particuliere school kan betalen). Ook worden de goede leraren niet weggekocht uit het reguliere onderwijs. Particuliere scholen zijn niet de goede opleiders voor kinderen: het zijn bedrijven en dus gaat het om de winst. Het is juist beter als de kinderen opgroeien in een gevarieerde omgeving, met weinig prestatiedruk maar waar gelet wordt op hun intrinsieke motivatie en samenwerking met anderen waarmee collectiviteit gestimuleerd wordt.

Leraren

Leraren vervullen een cruciale rol in de groei van leerlingen. Dat moet gewaardeerd worden, en niet alleen in salaris. Meer individuele ontwikkeling van leerlingen vraagt meer persoonlijke aandacht. Leraren krijgen standaard een onderwijsassistent, en genoeg tijd om de leerlingen allemaal te begeleiden. Doordat er veel minder focus op cijfers is, zullen ouders ook minder veeleisend zijn. Het doel is dan niet hoge cijfers, maar de ontwikkeling van het kind. Dus geen middelbare school leerling die alleen werkt voor een cijfer, kunstjes aanleert zonder echt te begrijpen of zich te interesseren, en gestrest door het leven gaat van toets naar toets. Nee, leraren focussen op de kinderen en gebruiken hun professionaliteit.

Administratie wordt geminimaliseerd – gewoon wat de leraar nodig vindt wordt genoteerd, en dat komt in een dossier van de leerling. Overgang naar een andere school wordt ook versimpeld: zonder jarenlange dossiers een plannenmakerij om aan te tonen dat het echt nodig is (zeker als ouders, leraar, oude school en nieuwe school het eens zijn moet dit binnen een week kunnen). Omdat leraren ook in andere klassen meekijken kan er een gewogen oordeel komen. Wanneer leraren hulpmiddelen of hulp nodig vinden voor kinderen, kan dat gewoon geregeld worden. Denk aan specialistisch gedragsonderzoek, een leesliniaal voor dyslectische kinderen of microscopen voor onderzoek.

Leraren groeien door de aanpak van collega’s op eigen en andere scholen te bekijken tijdens de les. Zo is er ook een peer-review van scholen, en kunnen scholen snel innoveren: leren van andere scholen, klassen en door feedback. Leraren en scholen kunnen ook gemakkelijk met onderzoekers in contact komen om objectief te kijken naar de effectiviteit van een aanpak. Dit platform om mensen gemakkelijk te verbinden wordt door de overheid geregeld.

De leraren of speciale begeleiders zijn het primaire contactpunt met leerlingen, dus zij beoordelen de ondersteuning die ze krijgen vanuit hun omgeving zodat ze hun werk goed kunnen doen. De hele organisatie staat ten dienste van deze mensen. Denk aan een conciërge, schoonmaker of directeur. De leraren maken gezamenlijk een beoordeling en bepalen uiteindelijk wie mag blijven en wie niet, en kunnen nieuwe vacatures creëren.